Op bedevaart
Inleidende toespraak Jan Erik Burger op de Pelgrimsdag

Pelgrimeren is in. Rome, Santiago en Lourdes zijn hot. Steeds meer mensen gaan op bedevaart en steeds vaker te voet. Zijn wij soms geloviger geworden? Niet op papier: het aantal ‘officiële’ gelovigen neemt nog elk jaar af. Op lemen voeten ging op zoek. Sommige bedevaartplaatsen bieden vooral rust en stilte. Op andere plaatsen kun je zelfs midden in de winter over de hoofden lopen.

Op bedevaart gaan blijkt springlevend en niet gebonden aan leeftijd of geslacht.
Hoe komt dat? Zijn wij massaal op zoek naar zingeving? Maar waarom juist daar, in die traditionele Roomse bedevaartsoorden? Voor de moderne mens is er toch new-age, antroposofie of wetenschappelijke scepsis?

Het is geen toeval dat de meeste bedevaartsoorden in katholiek Europa liggen. Italianen, Portugezen en Spanjaarden durven beter uit te komen voor hun fundamentele vragen aan het leven. Vragen over ziekte, dood, geluk, familie en de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. En ze staan opener voor antwoorden. Die antwoorden krijgen ze op deze heilige plekken. Maar zelfs Calvinisten hebben hun ‘geheime’ bedevaartplaatsen. In Genève staat Calvijn meer dan levensgroot voor de Muur der Hervormers. Strijdig met de leer, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

Er is een groot verschil met vroeger: de veiligheid. In de middeleeuwen was je je leven niet zeker. Honger, berovingen of de dood door moordenaarshand waren reële gevaren. Het pelgrimeren was voor velen naast avontuur of contemplatie een heilig moeten. Maar eindelijk ben je dan aan het doel. En het is niet het lichaam van de heilige Jacobus dat op mysterieuze wijze in Santiago is aangespoeld, maar een bedevaartsoord waarvan het ontstaan uitzonderlijk goed gedocumenteerd is. Dat zonder de moderne media niet had kunnen groeien. En dan spreek ik niet over het graf van Lady Di of dat van Jim Morrison.

Het doel
Fatima, 13 mei 1917. Op een eenzaam plateau hoeden drie kinderen een kudde schapen. Plots barst de hemel open en verschijnt er een lichtflits, en binnen die flits een lichtbundel van nog groter intensiteit. Daarin de maagd in een stralend wit gewaad en een grote schoudermantel die tot aan de grond reikt. In haar gevouwen handen houdt ze een rozenkrans. Zij draagt de kinderen Lucia, Jacinta en Franco op over een maand op dezelfde plaats terug te komen. Zo geschiedt. De kinderen moeten de aandacht voor het Heilig Hart van Jezus verspreiden, bidden en offeranden brengen.
Met die verspreiding komt het goed. Bij iedere verschijning zijn er meer toeschouwers. Bij de tweede verschijning al een respectabele veertig. Maar dan gaat het hard, een maand later zijn het er 4000. Op 13 september 1917 20.000. Zes maanden en vijf verschijningen later verzamelen zich op deze onherbergzame plek 70.000 mensen. Ze zien de zon stilstaan, een zilveren kleur aannemen en om zijn as draaien.
Dit is volksgeloof. In 1919 staat de eerste kapel op de plek van de verschijning. In 1922 wordt die opgeblazen door anti-religieuze krachten. De pelgrims stromen in verhoogde aantallen toe. In 1928 wordt een begin gemaakt met het bouwen van de basiliek, in neo-barokke stijl. Nederlandse architect. En u mag de basiliek mooi of lelijk vinden, de pretenties zijn overduidelijk. En dat terwijl de officiële kerk nog niets erkend heeft. Goed, de bisschop van Leiria heeft zich achter de kinderen opgesteld, maar pas in 1930 worden de verschijningen door het Vaticaan erkend. Er is sprake van de drie geheimen van Fatima. Doordesemd doormet een virulent anticommunisme. De maagd heeft gezegd: “als de mensen doen wat ik zeg, zullen vele zielen gered worden, zal Rusland zich bekeren. Zo niet, dan zullen verschillende landen worden vernietigd.”

In het centrum van Fatima schoten mij de woorden van een atheïst, medewerker van ons tijdschrift te binnen. Hij zag bedevaartsoorden als een onheilige alliantie tussen clerus en middenstand. Een misvatting. De clerus houdt niet van spontane volksdevoties. Pas als een cultus echt niet langer is tegen te houden, gaat ze om en past het in een kerkstrategisch plan. In dit geval de strijd tegen het goddeloze communisme. En de middenstand, die laat de kansen op de kleine winst niet liggen.

Het immense plein is twee keer zo groot als het Sint-Pietersplein. Een compleet bedevaartscomplex. De zuilengalerij met aan de kop de basiliek omarmen de Kapel van de Verschijning en de volgroeide steeneik waar de maagd verscheen. Vanaf de verste rand van het plein loopt een marmeren pad naar de verschijningskapel. Vele pelgrims leggen die afstand af op hun knieën. Sinds het skeeleren de wereld veroverde dragen ze eigentijdse kniebeschermers.

Een kleinigheid, tekenend voor verval? Of een gezonde aanpassing aan de moderne tijd? Zeker is dat pelgrimeren vanaf de jaren tachtig populairder is dan ook. Als het om aantallen gaat lijken de katholieke middeleeuwen overstegen.

Onderweg
Eerst is een pelgrimage voor de meeste mensen afzien. Lijden. Sommigen moeten na twee, drie weken opgeven wegens overbelasting. Daarna krijgen ze oog voor hun omgeving. Het landschap speelt een grotere rol dan je je in eerste instantie realiseert. Het landschap blijkt op een verborgen wijze katholiek-sacraal. Kapellen, heilige bronnen, kruiswegstaties, Lourdesgrotten. Aan de horizon priemen de torens van een kathedraal in de hemel. De pelgrim ondergaat de invloed van die traditie zelfs als hij er ver van wil blijven.
Meer zeg ik niet. Ik mocht de gewaardeerde sprekers slechts inleiden, niet hen het gras voor de voeten wegmaaien.

Hier zijn ze. Peter Jan Margry werkt bij het Bureau en is opvolger van literator Voskuil, die het Roomse erfgoed zo verafschuwde dat hij het niet wilde onderzoeken. Margry schreef het omvangrijke en magistrale Bedevaartplaatsen in Nederland, dat dat gemis meer dan goed maakt. Hij spreekt over De kunst van het pelgrimeren.

Bedevaart, een spannend ritueel. Paul Post tracht de vraag naar de populariteit van bedevaart pelgrimage te beantwoorden en spreekt onder andere de spanning tussen rite als effectieve en doelgerichte handeling en nutteloos tijdverdrijf.

‘Hadji Herman’. Ben ik door mijn pelgrimstocht veranderd? Voor Vuijsje was niet het middeleeuwse Santiago maar het eigentijdse Amsterdam, het natuurlijke einddoel van de reis. In 1990 verscheen zijn verslag pelgrim zonder God. Aanvankelijk een winkeldochter, maar tegenwoordig zijn de herdrukken niet aan te slepen.

Om twee uur verzamelen zij die een pelgrimswandeling willen maken zich bij de ingang van het museum. Naar het mirakel van Amsterdam. Twee groepen. Uw gidsen: Jan Erik Burger en Roel Sluis





 


© Op Lemen Voeten | www.oplemenvoeten.nl


Pelgrimsdag in Ons' Lieve Heer op Solder

Gastsprekers:
Herman Vuijsje
Peter Jan Margry (Meertensinstituut)
Paul Post (Universiteit Tilburg)