Wadlopen
Tekst: Bert Stok, uit Op lemen voeten 2003/3
Nourahmed maakt zich klaar voor het wad. Langzaam stroopt hij zijn broekspijpen op. Een beetje eng vindt hij het wel, die wereld van slik en water. Aan de horizon ligt Texel, het eiland uit hoofdstuk 5 van de IJsbreker, een studieboek Nederlands voor laag opgeleide volwassenen.
De gidsen drukken ons op het hart bij elkaar te blijven. Dan dalen we af naar het wad. Geen mens te zien. Het wad is voor ons alleen. De zuigkracht van de modder is sterk. Voeten zakken diep in het slijk. Dan plotseling een gil. Fatima is onderuit gegaan, weggezakt in de modder. Nourahmed snelt te hulp, maar ze wil niet gered worden en zeker niet door een man. Alleen haar tasje mag Nourahmed hebben. Een besmeurde Fatima komt op eigen kracht uit de prut omhoog, maar valt onmiddellijk weer om. Met handen en voeten wrikt ze zich uiteindelijk toch los en keert, haar lange jurk onder het slijk, terug naar de dijk. Daar heerst grote hilariteit bij het groepje achterblijvers. Linke soep dat wadlopen, zie je ze denken. De modderlopers wenken en roepen naar de achterblijvers, maar die laten zich niet verleiden tot een stap in de blubber. Ze blijven op de hoge dijk. Verder op het wad is de grond een stuk harder. Daar liggen dikke bruine kwallen en honderden krabbetjes. Nourahmed wil zo'n krabbetje hebben, maar dat mag niet. 'Als we allemaal een krabbetje meenemen, blijft er geen krabbetje meer over,' zegt de gids streng. Zou Nourahmed begrijpen waarom hij géén en de vissersboot, in de verte, wel krabbetjes mee mag nemen? Op weg naar de haven van Den Oever laten we een waaier van voetsporen achter.
De achterblijvers op de dijk begrijpen maar niet dat ook zij richting haven moeten lopen. Als we nog driftiger wijzen en schreeuwen, begeeft het groepje zich langzaam en onzeker over de kruin van de dijk naar Den Oever. Daar keren de wadlopers onder de zwarte slijkspetters terug op het vaste land. Leraar Hans spuit ze schoon met de brandslang, ook de 'ongelukkige' Fatima. Ze gilt van plezier. Zuinig met water hoeft hij niet te zijn. De zon schijnt krachtig. De kleren drogen snel.
Na het garnalenpellen en de sluizen rijdt de bus nog even langs het punt waar we vanochtend het wad op gingen. Het water staat tot aan de dijk. Nourahmed zegt: 'De zee is vol.' Over zijn vlucht uit Afghanistan zei hij ooit: 'Ik blijf in Amsterdam, het droge land is afgelopen.'
Bert Stok is docent NT2 aan het ROC van Amsterdam
© Op Lemen Voeten | www.oplemenvoeten.nl