Dolen tussen glas en beton
Conferentie Op lemen voeten 21 juni 1994

De roep om een 'wandellobby' is sterker dan ooit. De toegankelijkheid van natuurgebieden neemt af, duizenden kilometers aan onverharde wegen worden omgeploegd, Nederland lijkt steeds voller te worden. En wat doet de wandelaar? Machteloos toekijken of actie ondernemen? Op Lemen Voeten koos voor het laatste en organiseerde een conferentie. Het toneel is kasteel Groeneveld in Baarn, de datum 21 juni 1994 en de titel In vrijheid zwerven in overvol Nederland. Hoofdrolspelers zijn, behalve Op Lemen Voeten, beleidsmakers van diverse natuur- en wandelorganisaties. Naast vele kritische geluiden - hoe kan het ook anders - is de afloop bemoedigend: de aanwezige organisaties gaan structureler samenwerken om de wandellobby meer gestalte te geven.

text: Wessel Zweers

Het is dringen geblazen. Stedelijke uitbreidingen eisen hun deel van de ruimtelijke omgeving. Zwerftochten door "onland", woeste ongecultiveerde natuur, hebben plaatsgemaakt voor het dolen tussen glas en beton. Zijn er nog echte zwervers? Volgens de media treft men ze niet meer in de natuur aan, maar in Rotterdam achter perron 1. Zij banjeren door permanent opgebroken straten, industrieterreinen en winkelcentra.

Anderen verkiezen het Nederlandse LAW-netwerk om hun vrijheidsdrang te lessen. Buiten kasteel Groeneveld lopen een paar wandelaars nietsvermoedend langs het Graaf Floris V-pad. Ze zijn verbaasd als blijkt dat binnen enige tientallen heren en dames het wandelen als voornaamste gespreksonderwerp hebben. Onder de kroonluchters wordt gediscussieerd over de toekomst van de natuur en de plaats van de wandelaar daarin. Zeven lezingen staan op het programma, waarna het 's middags tijd wordt om de handen uit de mouwen te steken. Dat gebeurt in de vorm van vier parallelsessies; daarin gaan werkgroepen aan de slag gaan met een aantal stellingen in de hoop oplossingen aan te kunnen dragen. Als afsluiting vindt een forumdiscussie plaats waarin 'en plein public' nog eens de degens worden gekruist. In vrijheid zwerven in overvol Nederland heet de kapstok waaraan de lezingen worden opgehangen. Alleen in deze titel zijn al diverse facetten en tegenstellingen vervat. Laten we eens een eerste ronde maken.

Veranderingen
Het eerste doel van de conferentie is het beschrijven van veranderingsprocessen in onze omgeving, vooral gezien door de bril van de wandelaar. Veranderingen zijn er deze eeuw genoeg geweest, dat blijkt uit de eerste lezing van de heer Burger van Op Lemen Voeten . "Veelal wordt aangenomen dat de natuur in Nederland rond 1900 op haar mooist was. Er was een evenwicht tussen half-natuurlijk cultuurlandschappen en woeste gronden." Daarna ging het hard achteruit. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen werd jaarlijks meer dan 10.000 ha heide en woeste grond ontgonnen. Tot in de jaren zestig werden de ontginningsinspanningen voortgezet.

De heer Philipsen (Werkgroep Recreatie van de Landbouwuniversiteit te Wageningen) beschrijft de invloed van de landbouw op het landschap. Houtwallen en hagen werden gerooid; kleine landschapselementen, zoals poelen, werden gedempt. Het fijnmazige net van wegen en paden werd van de kaart geveegd. De vaarwegen in het natte westen van Nederland ondergingen hetzelfde lot. Toegangsrechten en -mogelijkheden, zoals kerkepaden, jaagpaden en overhoeken, zijn verdwenen. Verschillen in landschappelijke verschijningsvormen zijn genivelleerd.

De ruilverkaveling was een machine die over Nederland denderde. Uit onderzoek blijkt dat als gevolg van 113 ruilverkavelingen tussen 1972 en 1986 maar liefst 7500 km onverharde weg is verdwenen. Dit is gecompenseerd door de aanleg van 4500 verharde weg, waarop steeds meer auto's steeds sneller zijn gaan rijden. De totale lengte van de autosnelwegen is sinds 1970 in twee decennia meer dan verdubbeld tot 2000 km. Allerlei bestemmingen zijn daardoor beter bereikbaar geworden, maar voor de wandelaar is het er niet gemakkelijker op geworden. Zo heeft de aanleg van de A1 op de Veluwe het aantal doorgaande paden en wegen met 80% gereduceerd.

Sinds de jaren '70 is men zich gaan buigen over het ontwikkelen van nieuwe natuurgebieden. Zowel natuurbeschermers als recreanten varen daar wel bij. Daarentegen is de openstelling van bossen en natuurterreinen, zo blijkt uit eigen onderzoek van Philipsen, de laatste jaren beduidend afgenomen.

Ook Burger noemt het verkeer als boosdoener. Aanvankelijk waren er nog maar weinig auto's. In 1958 kwam het Rijkswegenplan, een prachtige bekroning van de wederopbouw van Nederland. "Iedere arbeider een auto." Spijt kwam pas later, toen er generaties opgroeiden die Nederland alleen nog maar vanaf de achterbank kennen. Autowegen en andere grootschalige infrastructuur hebben de open ruimte aan flarden gereten.

Met welke realiteit wordt de wandelaar heden ten dage geconfronteerd? Het kleinschalige cultuurlandschap is overal op de terugtocht. Er zijn betrekkelijk weinig waardevolle landbouwgebieden over. De wandelaar is steeds meer aangewezen op natuurgebieden, die steeds verder weg liggen. De natuurgebieden in de directe omgeving worden in toenemende mate afgesloten. De beheerders willen niet dat "hun" terrein onder de voet wordt gelopen. Wandelen wordt daardoor steeds minder vanzelfsprekend.

Vrijheid
Tot zover de omgeving waarin de wandelaar wandelt. En hoe zit het met de wandelaars zelf? Er zijn vele soorten wandelaars, dat blijkt uit verschillende lezingen. Dé wandelaar bestaat niet. Er is de korte-afstandswandelaar, de middellange-afstandswandelaar en de lange-afstandswandelaar. Er zijn hondenuitlaters, kilometervreters en natuur- en cultuurgerichte wandelaars. Behalve naar activiteit en afstand kunnen wandelaars ook worden getypeerd naar hun relatie met de natuur. De heer Van Schaik van de Vereniging Natuurmonumenten komt zodoende tot de volgende indeling. De eerste categorie is die van de natuurkenners, de natuurvorsers. Ze gaan de natuur in om plantjes te bekijken en zijn op zoek naar bijzondere soorten. Deze groep omvat grof geschat zo'n 50.000 mensen. De natuurgenieters vormen de grootste categorie. Bij deze mensen staat vooral het geestelijk welzijn voorop. Voor hen is de natuur vooral een omgeving. De derde categorie zijn de natuurvermakers. Zij zien de natuur als attribuut voor hun eigen vermaak. Daarbij kun je denken aan joggers, spoorzoekers en ATB'ers.

De heer Lengkeek (Werkgroep Recreatie van de Landbouwuniversiteit in Wageningen) spreekt over vergelijkbare typen wandelaars. Aan de ene kant staat het zoeken naar amusement en ontspanning. Anderzijds is natuurbeleving een vorm van romantiek, een soort oerheimwee naar een puur bestaan, een hang naar vrijheid. Maar de werkelijkheid valt bitter tegen. Philipsen, collega van Lengkeek, noemt verschillende oorzaken: "We hebben allemaal te maken met planning en regulering door de overheid. Ook commercie en vooral de sociale groep waarin men verkeert, beperken onze keuzevrijheid aanzienlijk." Echte vrijheid is een hersenschim, zo kan men concluderen. Maar ook als de vrijheid niet meer dan een illusie is, kan de vrijheidsbeleving groot zijn. In hoeverre is onze ruimtelijke omgeving, het landschap, in staat om wandelaars die illusie te geven?

De mens heeft verschillende relaties met zijn ruimtelijke omgeving. Hij is exploitant, bewoner, rentmeester en belever van het landschap. Vanuit elk van deze rollen heeft hij in het verleden het landschap gebruikt en veranderd. Wandelmogelijkheden worden dientengevolge sterk bepaald door maatregelen die de mens in een andere rol heeft genomen. Zoals die van exploitant. In de eerste helft van deze eeuw is de Nederlandse grond in toenemende mate voor agrarische doeleinden gebruikt. Om de produktie op te voeren zijn vele ruilverkavelingen uitgevoerd. Bijna de helft van het Nederlandse grondoppervlak is op deze wijze herverkaveld of wordt momenteel hieraan onderworpen. Recreatief medegebruik is dan alleen maar lastig, want de landbouw wil volledige zeggenschap over de produktieomstandigheden en duldt dus geen bedrijfsrisico's, waarvan recreanten er een vormen. De snelle landschappelijke veranderingen van de laatste decennia zullen veel wandelaars hebben vervreemd van hun omgeving. Aan de andere kant zullen sommige andere wandelaars zonder bezwaren over asfaltwegen lopen en geboeid worden door de rechtlijnige structuren van moderne agrarische cultuurlandschappen. De betekenis van het landschap is dus voor elke wandelaar weer anders.

Toekomst
Hoe ziet de toekomst van de ruimtelijke ontwikkeling eruit? Welke richting biedt de meeste perspectieven voor wandelaars? Philipsen geeft daarvoor drie strategieën, die hij beschrijft in termen van vlekken (landschappen) en linten (infrastructuur). De eerste strategie noemt hij een witte vlek met losse lintjes : een laissez faire-houding ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling. Landschappelijke veranderingen zijn het onvermijdelijke gevolg van onze moderne samenleving. De witte vlek slaat op het ontbreken van overheidsinterventie, de lintjes hebben geen samenhang. De wandelinfrastructuur is beperkt tot LAW-paden.

De tweede strategie is groene linten met witte vlekken . Daarbij wordt uitgegaan van een duurzaam landschappelijk raamwerk, waarbinnen de natuur zich ongestoord kan ontwikkelen en recreanten een duurzame en betekenisvolle relatie met het landschap kunnen opbouwen. De linten zijn ditmaal breder en groen. Dat raamwerk is echter sterk afhankelijk van natuurbeschermende instanties. Zijn het wel de landschappen waarop de wandelaar zit te wachten? Daarom zijn de vlekken hier nog wit.

Bij de derde strategie worden de vlekken lichtgroen. De economische groei wordt fundamenteel ter discussie gesteld. Landschappen uit vervlogen tijden worden weer in ere hersteld. De belevingsmogelijkheden van die landschappen worden publiekrechtelijk en privaatrechtelijk geregeld.

De meeste sprekers komen met hun stellingname in de buurt van de "groene linten met witte vlekken" uit, waarbij tussen de regels wordt gelonkt naar de derde strategie. Alleen de heer Yseboodt (Europäische Wandervereinigung ) is gematigder: "Wij moeten de hoop niet opgeven, maar het zal zeer zwaar zijn. Meer doeltreffend is het om zich te concentreren op de ontwikkeling van een duurzame en welbepaalde wandelinfrastructuur. De verdediging en het behoud hiervan zullen al heel wat moeite kosten. Het is in ieder geval beter haalbaar dan verdediging en behoud van het ganse patrimonium."

De heer Woldhek van het Wereldnatuurfonds zet veel hoger in. "Wij willen het landbouwgebied dat vrijkomt, zodanig inrichten dat er grootschalige natuurgebieden komen, waar je een natuur krijgt die je kunt beleven en waar je kunt zwerven. Dan kunnen de mensen zwerven door de uiterwaarden, in een landschap van bloeiende graslanden, duinen, geulen, plassen, langs wilgen die door bevers zijn omgeknaagd, met ondoordringbare ooibossen, noem maar op. Wat wij willen is dat er een complete provincie natuur bij komt, zo'n 200.000 ha. Dat is evenveel als de oppervlakte van de provincie Utrecht. Twee jaar geleden werd dat nog als een grap beschouwd, maar inmiddels wordt er keihard aan gewerkt." Woldhek betoogt dat meer natuur ook nodig is voor de beleving van de wandelaar. "Juist in relatie tot het cultuurhistorische krijgt de beleving van de natuur haar waarde. Dat komt door het contrast. In het cultuurhistorische landschap staat het herkenbare, de kleinschaligheid, het tijdgebondene voorop. Maar in de nieuwe natuur hebben we het over spanning, over ruimte en tijdloosheid. Het tilt de wandelaar even op uit de dagelijkse beslommeringen."

Waar Woldhek de tegenstelling tussen natuur en cultuurhistorisch landschap benadrukt, is Burger juist voorstander van meer integratie van landschapselementen, een minder krampachtige scheiding tussen mooi en niet mooi. Zo pleit hij voor zogenaamde groene vingers vanuit de stad. "Het groen zou al in de stad moeten beginnen en zich op natuurlijke wijze moeten uitspreiden naar buiten. Zo zou de stad niet langer beschouwd hoeven te worden als een moloch die de omringende groene ruimte opslokt, maar ontstaat er een tegenoffensiefje van de natuur."

Belangen
Ambitieuze plannen, zoals die van het WNF, vragen om samenwerking tussen organisaties. Voor verschillende situaties worden allianties gevormd. Maar als organisaties gaan samenwerken, neemt de vermenging van belangen toe. De heer Kromhout noemt in zijn betoog enkele voorbeelden waarbij zijn organisatie, de ANWB , is betrokken. Allereerst de samenwerking met het WNF inzake het streven naar 200.000 ha extra natuur in Nederland. De ANWB behartigt daarbij het recreatieve belang; het WNF doet dit vanuit het besef dat er buiten de ecologische hoofdstructuur nog veel gebieden zijn die het behouden waar zijn en waar een interessante natuurontwikkeling denkbaar is. Ook in de samenwerking van de ANWB met Staatsbosbeheer en met Natuurmonumenten kunnen de verschillende invalshoeken van natuurminnaars en (gemotoriseerde) recreanten een bedreiging vormen.

Behalve grote belangenorganisaties, waaronder bovengenoemde, zijn er zeker meer mogelijke gesprekspartners denkbaar. Allereerst de agrarische sector, want 70 procent van het landelijke gebied is van boeren. Een goede verstandhouding met de agrarische sector is dus van wezenlijk belang. Ook moet de relatie met de semi-overheid, zoals de waterschappen, worden verbeterd. Voor de waterschappen is wandelen een "nevengeschikt" (dus verwaarloosbaar) belang. Maar ondertussen betaalt vrijwel iedereen waterschapslasten. Dan zou het voor de hand liggen om ook de belangen van niet-landbouwers zwaarder te laten wegen. Samenwerking heeft ook keerzijden. Verstrengeling van belangen werd al genoemd. Bij planningskwesties mag de keuze niet automatisch het gevolg zijn van allerlei strategische allianties tussen machtsblokken. Dat kan ontaarden in allerlei opportunistische tango's die gedanst worden tussen belangen van recreatie, toerisme en natuur. Vooral Lengkeek vreest dat het strategische spel veel van de inhoudelijke discussies overneemt of vertroebelt.

Toch lijken samenwerking en overleg de enige manieren om de achteruitgang van het landschap te stoppen. De heer Draijer, plaatsvervangend directeur Openluchtrecreatie van het Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij, waarschuwt ervoor om zaken als toegankelijkheid en medegebruik met juridische middelen af te dwingen. Als u daarvoor kiest, slaat u een moeilijke en lange weg in. Het is ook nog maar de vraag of wetgeving werkelijk werkt. Ik beveel liever aan om te proberen in concrete situaties, in overleg met degenen die het aangaat, een wandelpad te behouden of te creëren." Ook tijdens de discussies gaan er stemmen op voor een meer pragmatische aanpak, waarbij wordt uitgegaan van lokale initiatieven.

Lobby
Wat levert een dag discussiëren over wandelen en natuur op? Tijdens de forumdiscussie wordt duidelijk dat het echte wandelen en de belevingswereld van de wandelaar nauwelijks aan de orde zijn. Het zijn vooral de belangen van de wandelaar die de tongen losmaken. Een belangrijk thema wordt gevormd door de opvattingen over de Ecologische Hoofdstructuur en de gebieden daarbuiten. Enerzijds wordt gezegd dat je je het beste kan richten op de Ecologische Hoofdstructuur, omdat je dan je ambities richt op iets wat werkelijk haalbaar is. Anderzijds zitten wandelaars ook te wachten op het invullen van de "witte gebieden".

Voorts en bovenal is de vraag hoe we invloed kunnen uitoefenen op de inrichting en bestemming van de ruimtelijke omgeving. Op de conferentie wordt al een belangrijke stap in die richting gezet: de aanwezige wandelorganisaties besluiten de handen ineen te slaan. Zij beginnen met een regulier overleg waarin zij elkaar informeren wat zij doen en wat zij van plan zijn te doen aan lokale en regionale activiteiten en lobby's. Daarbij is niet uitgesloten dat uiteindelijk gekomen wordt tot samenwerking op projectbasis of tot meer gestructureerde samenwerking. De eerste steen voor de wandellobby is gelegd.

Niet alleen op organisatorisch niveau maakt men zich druk om belangenbehartiging van wandelaars, maar ook "van onderen af" zijn er signalen. Uit de vele aanmeldingen voor de nieuwe Vereniging van Wandelaars blijkt dat dit probleem vele wandelaars bezighoudt, voor sommigen aanleiding om zich daarvoor actief in te zetten. Dit heeft inmiddels al geleid tot lokale initiatieven.

Rest nog de politiek. Na de laatste verkiezingen begin mei is het roerig in Den Haag. Naar verwachting zal de voorheen zo machtige landbouwlobby in het paarse kabinet aan invloed verliezen. De bezoekers van de conferentie worden nu al verrast door een klein gebaar van D66, in de persoon van Tweede-Kamerlid P.K. ter Veer . Hij toont zich welwillend tegenover een voorstel van de heer Burger om de Pachtwet te wijzigen, zodat het recreatieve medegebruik sterk wordt bevorderd. Tot nu toe was dit niet bespreekbaar vanwege het CDA. In september zal de Pachtwet in politiek Den Haag worden behandeld.

Heeft het paarse kabinet de groene lobby nog meer perspectieven te bieden? Zal er eindelijk een politiek-ambtelijk draagvlak ontstaan, zodat de opstellers en uitvoerders van allerlei deelplannen weten dat er ook nog zoiets als het wandelen is? Dat is de vraag die de komende jaren zal moeten worden beantwoord.

© Op Lemen Voeten | www.oplemenvoeten.nl